Circulair bouwen staat hoog op de agenda en wordt gesubsidieerd door de overheid met de fiscale regeling Milieu Investeringsaftrek (MIA). Om ook daadwerkelijk voor de MIA-regeling in aanmerking te komen moeten er wel een aantal belangrijke stappen worden gezet. Er moet echt aandacht zijn voor circulair bouwen, gedurende zowel het ontwerp als bij de inkoop van de aannemer.
Wij gingen in gesprek met Alba Concepts, integraal duurzaamheidsadviseur met focus op circulariteit. In dit gesprek met Jim Teunizen en Robin Aalbers werd duidelijk dat succes niet zit in één slimme rekentruc, maar in een zorgvuldige combinatie van ontwerpkeuzes, aantoonbare data, uniforme rekenmethodiek en een financieel haalbare businesscase. In dit artikel vertellen zij graag meer over deze fiscale regeling en wat het in de praktijk oplevert.
Wie circulair bouwen wil koppelen aan de MIA, merkt al snel dat ambitie alleen niet genoeg is. Op papier is het aantrekkelijk: een circulair woningbouwproject, slimme materiaalkeuzes en fiscaal voordeel. In de praktijk luistert het echter nauw, door strengere technische eisen én omdat de financiële benutting niet altijd vanzelfsprekend is.
Dat is precies de reden waarom beide partijen pleiten voor een realistisch beeld. Wie alleen rekent met een grof subsidiecijfer, zonder de onderliggende voorwaarden mee te nemen, schept verwachtingen die lang niet altijd waargemaakt kunnen worden. “Voordat er met forse subsidies wordt geraamd, moet er wel een aantal kaders en aandachtspunten worden neergezet. Anders krijg je de deksel op je neus.”
Wanneer is een project echt circulair genoeg
Volgens Aalbers begint het bij een nuchtere constatering: een circulair woningbouwproject vraagt inmiddels om veel meer dan wat ‘groene’ toevoegingen aan een verder traditioneel gebouw. Beton in de fundering is vaak nog noodzakelijk, maar daarboven verschuift het speelveld snel richting houtbouw, biobased isolatiematerialen en waar mogelijk gerecyclede of hergebruikte producten.
Waar in eerdere jaren voor de MIA nog relatief eenvoudig winst te boeken was met een paar duurzame materiaalkeuzes, is de regeling duidelijk strenger geworden. Aalbers: “Het gaat niet meer zoals het in 2023 of 2024 ging, dat je gewoon een doorrekening maakte, vijf soorten isolatiemateriaal toevoegde en dan was je daar.”
Dat betekent ook dat circulair bouwen niet langer alleen een ontwerpambitie is, maar een ontwerpopgave die vanaf het begin integraal moet worden benaderd. Niet alleen de draagconstructie, maar ook gevels, vloeren, beglazing en detaillering tellen mee. Juist daar ontstaat de eerste grote uitdaging: hoe maak je een gebouw aantoonbaar circulair én houd je tegelijk grip op de milieuprestatie?
Installaties worden bepalender voor de MPG-score
In veel projecten wordt de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) score nog altijd vooral geassocieerd met bouwkundige materiaalkeuzes. Terecht, maar volgens Aalbers is dat inmiddels maar een deel van het verhaal. Naarmate een gebouw zelf meer circulair wordt, verschuift het zwaartepunt van de milieubelasting steeds sterker naar de installaties.
“Bij traditionele woningbouw is installatietechniek voor zo’n 30 procent bepalend voor de MPG-score. Bij MIA-projecten loopt dat op naar 50 of zelfs 60 procent.” Die ontwikkeling is logisch: als constructie en schil al relatief gunstig scoren, blijven installaties over als grote milieudrager. Warmtepompen, ventilatie, zonnepanelen en andere technische installaties hebben een kortere levensduur, bevatten veel metalen en wegen daardoor zwaarder in de totale milieuscore.
Tegelijk wordt de puzzel ingewikkelder. Waar een bouwkundig product vaak relatief eenvoudig kan worden vervangen door een beter scorend alternatief, grijpt een andere installatiekeuze direct in op het werkelijk energiegebruik, BENG-berekeningen en soms ook het aantal benodigde pv-panelen. Optimalisatie vraagt daardoor veel vroeger in het proces om samenwerking tussen ontwerpers, installatieadviseurs en leveranciers.
Een belangrijke rol speelt daarbij de beschikbaarheid van A2-data. Voor de milieuberekening moeten producten steeds beter onderbouwd en specifieker in de database staan. Aalbers ziet wel vooruitgang, met name bij installaties, waar steeds meer leveranciers product specifieke data aanleveren. Maar de overgang is nog niet afgerond. Veel producten zitten in een tussenfase: wel A1-data, nog geen volledig gekoppelde A2-data. Dat maakt de vergelijking en het overzetten van berekeningen ingewikkelder en tijdrovender.
Meetbaarheid als randvoorwaarde
Juist daarom hameren de gesprekspartners op meetbaarheid. Circulair bouwen is te vaak nog een containerbegrip. Een project kan op papier circulair ogen, maar zonder een sluitende onderbouwing blijft onduidelijk wat het daadwerkelijk oplevert. “Je kunt het pas onderbouwen als je het ook echt doorgerekend hebt.”
Daar komt BCI Gebouw in beeld. In de praktijk fungeert BCI Gebouw als relevant toetsings- en onderbouwingsinstrument, omdat die verschillende circulaire prestatie-indicatoren, zoals de MPG, integraal samenbrengt. Niet alleen de milieu-impact uit de nationale milieudatabase, maar ook de herkomst van grondstoffen, het aandeel biobased of gerecycled materiaal, en de vraag wat er aan het einde van de levensduur met producten gebeurt. BCI Gebouw maakt daarnaast ook de met de Dutch Green Building Council en RVO ontwikkelde losmaakbaarheidsindex inzichtelijk.
Voor MIA-projecten is dat belangrijk, omdat niet alleen de MPG-waarde telt. Er moet ook worden aangetoond dat een project voldoet aan circulariteitscriteria, bijvoorbeeld via hernieuwbare grondstoffen, hergebruik of demontabel en herbruikbaar bouwen. In de praktijk blijkt vooral houtbouw hier vaak goed op aan te sluiten. Als een gebouw vanaf de begane grondvloer grotendeels in hout wordt opgetrokken en ook biobased isolatie wordt toegepast, is de eis van 50 procent hernieuwbare grondstoffen goed haalbaar.
Daarnaast speelt de losmaakbaarheid een steeds grotere rol. In de regeling voor 2026 wordt die niet meer alleen volume gerelateerd beoordeeld, maar op gebouwniveau gewogen. Dat maakt een uniforme rekenmethode nog belangrijker. Juist daar wringt het volgens de deelnemers nog geregeld in de praktijk: er bestaat interpretatieruimte en niet elke adviseur rekent hetzelfde. Aalbers vertelt dat adviesbureaus daarom werken aan een gezamenlijke demarcatie, zodat duidelijker wordt wat wel en niet in een volledige berekening thuishoort.
Van technische haalbaarheid naar subsidie in de praktijk
Zelfs als een project technisch voldoet, is de subsidie nog niet vanzelf binnen. MIA kan alleen worden benut door eigenaren die daadwerkelijk vennootschapsbelasting betalen. Daarbij gaat het om de partij die minimaal 5 jaar eigenaar blijft van het gebouw. Voor woningcorporaties en private beleggers die winstbelasting betalen kan dat interessant zijn.
De regeling biedt een investeringsaftrek van 45 procent op de subsidiabele bouwkosten. Bij een vennootschapsbelastingtarief van circa 25,8 procent komt dat neer op een effectief voordeel van ongeveer 11,6 procent. Voor woningen geldt daarbij sinds 2025 een maximum investeringsbedrag van 700 euro per m² BVO, wat neerkomt op een maximaal fiscaal voordeel van circa 80 euro per m² BVO. Voor utiliteitsgebouwen geldt die begrenzing niet.
Maar daarmee is het verhaal nog niet compleet. Vanuit de staatssteunkaders wordt niet alleen naar de totale investering, maar ook naar de meerkosten van circulair bouwen ten opzichte van een reguliere referentiesituatie: een vergelijkbaar gebouw, met dezelfde functie en omvang, maar dan uitgevoerd volgens reguliere bouwmethodiek en net conform het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Over die meerkosten mag in beginsel maximaal 30 procent steun worden gegeven. Voor middelgrote bedrijven kan dat oplopen tot 40 procent, voor kleine bedrijven tot 50 procent. In de praktijk betekent dat dat altijd twee berekeningen naast elkaar liggen: de fiscale aftrek op basis van de regeling en de maximale steun op basis van de meerkosten. De laagste van die twee is leidend.
Daarmee raakt de regeling direct aan de businesscase. Soms voldoet een project technisch prima, maar vallen de meerkosten beperkt uit. En zonder aantoonbare meerkosten stokt de subsidie. Schelling: “Dan voldoen we soms wel aan die technische voorwaarden, maar dan stokt het bij de financiële onderbouwing.”
Planning is cruciaal
Wat uit het gesprek vooral naar voren komt, is dat circulair bouwen onder de MIA geen kwestie meer is van slim schuiven aan het einde van het traject. Wie te laat begint, komt in de knel. Wie alleen op subsidie stuurt, mist vaak de technische nuance. En wie alleen technisch optimaliseert, ontdekt soms te laat dat de financiële onderbouwing tekortschiet.
De rode draad is daarom helder: circulair bouwen is meetwerk geworden. De winst zit in een ontwerp dat vanaf het begin is afgestemd op MPG, materiaalkeuzes, installaties, losmaakbaarheid en aantoonbare data, en daarna pas wordt gekoppeld aan de fiscale mogelijkheden. Dat maakt de regeling minder eenvoudig dan soms wordt voorgesteld, maar ook waardevoller. Niet omdat elk project automatisch subsidie oplevert, maar omdat het de markt dwingt scherper, consistenter en inhoudelijk beter te bouwen.
Fiscaal voordeel in de praktijk
Wij hebben een rekenvoorbeeld uitgewerkt. Bekijk deze hieronder:
Meer weten?
Wilt u meer weten over de mogelijkheden van circulair bouwen? Neem dan contact op met Alba Concepts via info@albaconcepts.nl. Wilt u weten hoe uw project scoort op MPG en circulaire prestaties en hiermee in aanmerking komt voor MIA? Neem dan contact op met BCI Gebouw via info@bcigebouw.nl. Voor vragen over de MIA regeling staan wij klaar: info@vdsf.nl